Verslag participatie dialoog 1 september 2026

Lees hier het verslag van de participatie dialoog die 1 september 2026 plaatsvond in Castricum. 

Samenvatting

~ als participatie niet slaagt was het geen participatie ~ 

De dialoog, gevoerd in het kader van de participatieverordening van de gemeente Castricum, onderzoekt de vraag wat is participatie? langs 2 subvragen: wanneer is participatie geslaagd, en hoe stimuleer je mensen om mee te doen? 

Al snel blijkt dat de frustratie over participatie zelden gaat over de uitkomst zelf, maar over het gevoel voor de versiering te zitten: uitgenodigd worden terwijl de kaarten al geschud zijn, of terwijl een ambtenaar op alles "ja, maar" antwoordt. 

Geslaagde participatie vraagt daarom om 5 dingen: vooraf helder maken wat de reikwijdte van een participatiemoment is; in welke fase van het proces men instapt; van onderop beginnen, voordat er tekeningen liggen; het plan als geheel mogen bespreken en niet in "salamiplakjes" snijden; en werkelijk luisteren naar wat er bij mensen speelt en gevoeld wordt. 

Het voorbeeld van het rioleringsproject in Bakkum laat zien dat het kan: wat onder de grond gebeurt is voor deskundigen, wat erboven gebeurt is ideaal om samen te bepalen. 

Die dialoog benadrukt dat participatie ook over gevoel gaat, niet alleen cognitieve processen. Participatie gaat niet alleen over nokhoogten en parkeernormen maar over de vraag wat voor buurt en wat voor gemeenschap mensen willen zijn. Wie mensen wil bewegen om mee te doen, moet hen dus anders aanspreken, hen een veilige plek bieden om te zeggen wat ze werkelijk denken, en goede voorbeelden laten zien. Het woord participatie geeft zelf ook verwarring: het suggereert meebeslissen, terwijl het vaak alleen informeren en meedenken is.

Kernconclusies

Voorwaarden voor participatie

  • Geef aan wat deelnemers kunnen verwachten en wat er met hun inbreng gedaan wordt Bedenk welke vraag de gemeente moet stellen, zodat de inbreng van participanten ook werkelijk in beleid gegoten kan worden. 
  • Deze vraag kan fundamenteel zijn als: 
    • Wat wilt u? 
    • Waar zou u goed bij voelen? 
    • Waarmee kan ik u helpen? 
  • Begin van onderop, wanneer er nog niets is. Dat kan echt; daar is ervaring mee. 
  • Participatie is echt meebeslissen en alleen informeren is dat niet. 
  • Participatie is verwezenlijking. 
  • Ruimte voor écht luisteren; niet alleen de cijfers tellen, maar ook de gevoelens (angst en hoop). 
  • Je veilig voelen is een belangrijke voorwaarde om te participeren. 
  • Het gevoel hebben dat er naar je geluisterd wordt. 

Participatie kan slagen als

  • Veel mensen meedoen, of in ieder geval de kans hebben om mee te doen en er een groot draagvlak ontstaat. 
  • Bewoners vroeg in een proces betrokken worden en niet wanneer alle tekeningen al klaarliggen.
  • Wanneer bekend is wat er echt bij mensen speelt. 
  • Vooraf wordt aangegeven waar iemand nog invloed op kan uitoefenen ontmoetingen en gesprekken zijn voordat er tekeningen zijn. 
  • Als er geluisterd wordt. 
  • Het onderwerp abstracter is. Hoe concreter het wordt, hoe dichter bij de eigen achtertuin, hoe lastiger.
  • We ervaringen delen, herhalen wat werkte en voortbouwen op succesvolle trajecten. 

Het zou ontzettend prettig zijn als de mensen van de gemeente, net als op deze avond, zouden vragen: wat willen we eigenlijk met de gemeente? Niet een gebouwtje of de riolering, dat is onderhoud. Maar: wat willen we met Castricum? Willen we er een dorp van maken, of een stad?

De Dialoog

Filosofische vragen 

In de openingsronde werden de volgende vragen ingebracht: 

  • Wat is participatie? 
  • Waarom participatie? 
  • Wat kan de oorzaak zijn dat we al in 2000 wisten dat er in 2030 5 miljoen ouderen zijn, en er nu pas achter komen dat we woningen voor hen moeten bouwen? 
  • Moet de Dorpsstraat autovrij worden? 
  • Het gaat slecht met de natuur: waarom zijn we niet bereid daar iets voor te doen of te laten? 
  • Hoe stimuleer je mensen om mee te doen aan participatie, en is enige mate van dwang wenselijk? 
  • Als we het hebben over participatie, hoe kunnen we dan minder antropocentrisch kijken naar de toekomst van Castricum? 
  • Wat is vertrouwen in de overheid? 
  • Waarom zijn er zoveel mensen ontevreden over de participatieprocessen zoals die meestal in Castricum worden doorlopen? 
  • Waar is de Castricummer bang voor dat hij of zij kan verliezen? 
  • Wanneer is participatie geslaagd? 
  • Wat zou er nodig zijn om participatie te bevorderen in de BUCH-gemeenten? 
  • Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de afvalscheiding tussen huizen en appartementen gelijkgesteld wordt? 
  • Wat gaat de gemeente Castricum met de informatie van deze avond doen? 
  • Wanneer is mensen uitsluiten nuttig? 

De vraag wat is participatie? kreeg de meeste voorkeur: zij is basaal, omvat veel van de andere vragen (wat gebeurt ermee, wanneer is het geslaagd) en sluit aan bij de enquête over participatie die de deelnemers hadden ingevuld. Daarbij klonk ook de vraag waartoe participatie eigenlijk dient, nu er al een gemeenteraad gekozen is. Als alternatieven werden nog genoemd de angst van de Castricummer om iets te verliezen (geld, goed, vrijheid) als mogelijke reden waarom participatie niet werkt, en de vraag wanneer participatie geslaagd is, omdat veel mensen het gevoel hebben dat er met hun inbreng weinig gedaan wordt. 

*De vraag die behandeld wordt is: Wat is participatie?* 

Methoden 

Als onderzoeksmethoden werden gekozen voor het benoemen van subvragen en het verzamelen van vooronderstellingen. Er werd geen casus ingebracht; wel brachten deelnemers gaandeweg eigen ervaringen in als voorbeeld. 

Aan subvragen werden verzameld: 

  • Wanneer is participatie geslaagd? 
  • Hoe stimuleer je mensen om mee te doen? 
  • Is enige mate van dwang wenselijk? 
  • Wie mogen participeren? 
  • Als participatie niet geslaagd is, is er dan wel participatie? 
  • Wie bepaalt of een participatietraject geslaagd is, en voor wie? 
  • Wie is de gemeente? 

Aan vooronderstellingen werden genoemd: 

  • Er wordt door de gemeente iets mee gedaan. 
  • Er wordt misschien helemaal niets mee gedaan.
  • Niet alles is geschikt voor participatie.
  •  Iedereen kan participeren. 
  • Participatie gaat om deelnemen aan de gemeenschap, niet alleen om de relatie met de gemeente.
  • Participatie is alleen geslaagd als ik mijn zin krijg. 
  • Participatie is hetzelfde voor een ambtenaar als voor een bewoner. 
  • Het is toch allemaal al besloten, het is voor de bühne. 
  • De gemeente is een instituut daarboven, terwijl wij zelf de gemeente zijn. 
  • Met participatie bereiken we ons doel, terwijl inspraak vroeger mislukte en alleen een andere naam kreeg. 

Achtereenvolgens werden onderzocht: de subvraag wanneer is participatie geslaagd? en de subvraag hoe stimuleer je mensen om mee te doen? De vooronderstellingen zijn niet afzonderlijk onderzocht, maar keren in de dialoog telkens terug. 

Dialoog 

Het onderzoek begint bij de subvraag wanneer is participatie geslaagd? 

De aftrap is sceptisch: het is een illusie dat participatie ooit helemaal geslaagd genoemd zal worden. Dat is een negatieve insteek, maar in een aantal gevallen klopt het wel: mensen zijn niet tevreden, en dan is de participatie misschien geslaagd in de ogen van de gemeente, maar niet in de ogen van een aantal burgers. Daar tegenover staat een eerste voorwaarde. Wie van tevoren aangeeft wat deelnemers kunnen verwachten en wat er met hun inbreng gedaan wordt, zal nog steeds ontevreden mensen overhouden, maar kan wel doen wat is toegezegd. Dan kan men ontevreden zijn over de uitkomst en toch tevreden over het proces. 

Precies daar zit namelijk de frustratie. Je wordt uitgenodigd en mag heel veel vertellen, en dan zit er een ambtenaar die zegt: dat kan wel, maar dat niet. Vervolgens wordt het gepresenteerd als "we hebben wel 5 inspraakrondes gehad, we zijn zo democratisch als wat". De irritatie is het gevoel dat je er voor joker zit, voor de versiering, in plaats van dat je iets van participatie aan het doen bent. Geslaagdheid kan dus verschillen voor gemeente en burger, en helder verwachtingsmanagement vooraf kan het gevoel van geslaagdheid aan beide kanten verbeteren. Daaruit volgt een volgende stap: welke vraag moet de gemeente stellen, zodat de inbreng van participanten ook werkelijk in beleid gegoten kan worden? Niet een vraag over praktische dingetjes binnen kadertjes en regeltjes, maar een niveau dieper: wat wil je eigenlijk, en waar zou je je goed bij voelen? 

Even dreigt het onderzoek van de subvraag hier al te eindigen en over te lopen in een andere vraag: waarom willen we eigenlijk participeren? Er is immers al een gemeenteraad gekozen, en ook dat is een vorm van participatie. Maar het dieper zoeken raakt een snaar. Het zou prettig zijn als er bij participatie in de gemeente mensen zitten die goed kunnen luisteren naar wat er eigenlijk speelt, en die niet klaarzitten met antwoorden: zo zit het, dit kan niet, daar hebben we geen geld voor. Het beeld van een inspraakavond waar iemand gillend is weggelopen: zoveel boosheid, zoveel gevoel van niet gehoord worden, en mensen die er bozer uitkwamen dan ze binnenkwamen. Zet daar mensen op die kunnen luisteren, desnoods psychologen, en ga aan de keukentafel zitten met de simpele vraag: wat wilt u, waarmee kan ik u helpen? 

Luisteren alleen is niet genoeg; wat gehoord wordt moet ook verwerkt en geïnterpreteerd worden. En vooral: begin vooraf, onderaan in het proces, niet wanneer er al tekeningen liggen van bureaus of ambtenaren. Neem de woningbouw rondom winkelcentrum Geesterduin. Ergens ontstaat een idee. Laat dat door niemand uitwerken, maar ga eerst met belanghebbenden om tafel, omwonenden en ondernemers: er moet gebouwd worden in Castricum, is dit een goed idee, wat vindt u ervan? Niet alvast prachtige verhalen en posters ophangen op een avond waarop de bewoner nog slechts in de marge iets kan veranderen: de kleur van de stenen of de kleur van de kozijnen. Van onderop beginnen, wanneer er nog niets is, kan echt; daar is ervaring mee. 

De burger moet dus veel eerder in het participatieproces betrokken worden, niet als de kaarten al voor een deel geschud zijn. Tegelijk hoort daar realisme bij: waar kan werkelijk inspraak over gaan? Er zijn zaken waarvoor zoveel expertise nodig is dat een burger er weinig mee kan, maar er zijn ongetwijfeld heel veel zaken waar burgers wél over kunnen meepraten. Ook dat moet duidelijk zijn, zodat er geen wortel wordt voorgehouden. Bij een woningbouwproject begint dat met de noodzaak: waarom is het zo belangrijk dat dit er komt? Die noodzaak moet goed uitgedragen worden, met inbreng van deskundigen, en pas daarna komt de vraag wat de oplossingen zijn en hoe verder te gaan. 

Daarmee lijkt een antwoord zich af te tekenen: participatie is geslaagd wanneer bewoners vroeg in een proces betrokken worden, wanneer bekend is wat er echt bij mensen speelt, en wanneer niet alle tekeningen al klaarliggen. Maar er zit nog een element in. Als mensen de zaal bozer verlaten dan ze binnenkwamen, gaat het kennelijk niet alleen om het concrete plan, maar om een diepere laag: hoe woon je samen? Participatie is meedoen, en meedoen is niet hetzelfde als je zin krijgen, want je doet mee met een grote groep waarin iedereen mag meedoen. Maar er moet wel daadwerkelijk meegedaan kúnnen worden: onderdeel zijn van een groep die ook iets te zeggen heeft. Niet het gevoel: ik dacht dat ik meedeed, maar het deed er eigenlijk niet toe, het werd weer aan de kant geveegd. Participatie als een manier van gemeenschapsvorming is daarmee een belangrijk ingrediënt van geslaagde participatie. 

Daar komt een tegenwerping op. Of iedereen meedoet, maakt niet uit als er vervolgens niets mee gedaan wordt. Op zo'n avond als die over Geesterduin wordt niet geluisterd maar geantwoord: ja maar, dat is protocol; ja maar, ik begrijp wat u bedoelt, maar. De ervaring is dat er pas iets gebeurt wanneer bij de gemeente de juiste persoon gevonden is; de rest zit in de ja maar of in het protocol. Of je nu een hele grote groep bij elkaar krijgt of onderaan begint: de vraag is wat er werkelijk gebeurt, en wie beslissingsbevoegd is. Dat brengt terug bij de eerste voorwaarde. Als vooraf wordt aangegeven waar iemand nog invloed op kan uitoefenen, ontstaat zo'n situatie niet. "Je mag wel komen, maar je kunt nergens meer invloed op uitoefenen, want alles staat al klaar" is geen participatie meer. 

Zo verschuift de betekenis van het woord. Participatie is dan eigenlijk echt meebeslissen, en informeren wordt niet als participatie gezien. Mensen die graag meedenken willen hun gedachten verwezenlijkt zien; participatie is verwezenlijking: meehelpen verwezenlijken waarop je participeert. Wie alleen geïnformeerd is, denkt geparticipeerd te hebben maar heeft dat niet. 

Een ander perspectief relativeert. Het is op zichzelf al fijn dat participeren mogelijk is; in veel andere landen kan dat niet. En als de gemeente wil dat er geparticipeerd wordt, moet zij simpele vragen stellen om een groter publiek te bereiken. De gemeenteraadsverkiezingen laten al zien hoe het met de participatie staat: een derde van de mensen stemt, en later wordt geklaagd dat er niets te bereiken valt bij de gemeente. Wil men participatie interessant maken, dan moet het simpeler en veel breder worden getrokken dan een select clubje van tien, twintig mensen dat zit te filosoferen. Daar klinkt weer een nuance bij: het voorbeeld van Geesterduin betreft eigenlijk een gesprek met een projectontwikkelaar en niet met de gemeente, die daar slechts dienstverlenend is. Maar de kern blijft: participatie is geslaagd als veel mensen meedoen, of in ieder geval de kans hebben om mee te doen, en er een groot draagvlak ontstaat. 

Toch hoeven het er niet per se veel te zijn. Mensen doen vaak mee omdat er iets gebeurt in hun eigen omgeving, en het is vooral fijn als mensen meedoen op wat direct invloed op hen heeft. En niet alles leent zich voor een blanco blad. Bij een bouwplan is een blanco blad al ingewikkeld; bij de riolering in je wijk wil je juist dat de gemeente al heeft nagedacht over hoe die gaat lopen. Dat voorbeeld krijgt meteen zijn tegenhanger. Ruim 10 jaar geleden moest in het grootste deel van Bakkum nieuwe riolering komen. Wat onder de grond gebeurt is voor de technici, maar wat boven de grond gebeurt is een ideaal onderwerp om over te participeren: waar komt eenrichtingsverkeer, waar komen bomen en welke, waar komen parkeerplaatsen. Tweehonderd mensen hebben meegedaan, de deskundigheid van bewoners is optimaal benut, er kwam geen enkel bezwaar en iedereen was tevreden. Het kan dus allemaal wel, als je maar van onderop begint en niet met een tekening waarop het boompje en de parkeerplaats al staan. Het slaagde omdat er ontmoetingen en gesprekken waren voordat er tekeningen waren, en omdat er geluisterd werd. 

Dan blijft de vraag wat burgers en gemeente kunnen doen als een uitkomst tóch tegenvalt. Hoe voorkom je de reflex "ik heb het toch gezegd, waarom hebben ze het niet gedaan, ik ben niet gehoord", terwijl er misschien andere redenen waren waarom een inbreng niet is meegenomen? Hoe krijgen mensen dan toch begrip, en de bevestiging dat ze wél gehoord zijn? Uit het voorgaande zijn daarvoor al ingrediënten verzameld: goed kijken waarover inspraak gevraagd wordt, zodat mensen niet denken iets in te brengen te hebben waar in werkelijkheid alles vastligt of de expertise ontbreekt; goed aan elkaar uitleggen waarom dingen gedaan worden; en af en toe een beetje naar elkaar toe bewegen, een beetje overnemen van wat de burger wil en een beetje van wat de gemeente wil. Het wordt zo gauw zwart-wit, terwijl er heel veel grijs is. 

Ook goede en slechte ervaringen laten zich vergelijken. De slechte hebben één ding gemeen: het plan is in "salamiplakjes" gesneden. Vanavond hebben we het hierover, en niet daarover. Alleen over de vorm van het gebouw. "Ja, maar er is ook parkeren." Nee, daar hebben we het nu niet over. Zo wordt een groot project in stukjes gehakt over verschillende avonden, terwijl het over het geheel gaat, en dat voelt manipulatief, ook al is het niet zo bedoeld. Wat gemist wordt is een avond aan het begin: waartoe, waarom, willen we dit met z'n allen? En als het antwoord ja is: hoe en waar gaan we dat dan doen? De goede ervaringen hebben een andere gemene deler: hoe abstracter het onderwerp, hoe beter de participatie loopt; hoe concreter het wordt, hoe dichter bij de eigen achtertuin, hoe lastiger. De trajecten rond de gebiedsvisies, zoals voor Akersloot-Noord en Limmen-Oost, waren geslaagde avonden, al zal niet iedereen dat zo ervaren hebben: ze gingen nog niet over wat er precies gebouwd wordt, zaten een abstractieniveau hoger, en dan voelt men zich meer gehoord. 

Dat brengt de vraag terug bij de vorm: welke vorm van participatie is wanneer gewenst in een besluitvormingsproces? Wie participatie organiseert moet vooraf duidelijk communiceren wat de reikwijdte van dat moment is. Gaat het om samen ideeën genereren, of om een kant-en klaar besluit waar nog even ja op gezegd mag worden, wat dan al snel een schijnvertoning wordt genoemd? En in welk processtapje zitten we: helemaal aan het begin, bij een gebiedsvisie, of veel verder, waar nog slechts een finaal stukje toegevoegd kan worden? Wie weet dat zijn inbreng op dat punt niet meer tot een ander besluit leidt maar wel mag meewegen, kan daar vrede mee hebben. Wanneer de vorm en het moment van participatie duidelijk zijn en mensen daarbij betrokken worden, is een aardig eind gekomen aan een antwoord op de vraag wanneer participatie geslaagd is. 

Het onderzoek gaat over naar de subvraag hoe stimuleer je mensen om mee te doen? 

Mensen moeten een intrinsieke motivatie hebben, en dat is soms een kip-en-eiverhaal: doen ze niet mee omdat ze slechte ervaringen hebben, of omdat ze denken dat anderen erover beslissen en dat wel goed komt? Het zou helpen als mensen het gevoel hebben dat meedoen iets oplevert, wat direct aansluit bij de vorige subvraag, en als vooraf duidelijk is waarover beslist wordt en of dat nog abstract is of al concreet. Als daar goede ervaringen mee worden opgedaan, heeft dat effect op anderen: ik ga ook eens ergens over meedoen. Goede voorbeelden helpen om mensen te laten meedoen. 

Hier dient zich een andere manier van luisteren aan. Wie als therapeut luistert, let op lichaamstaal: iemand kijkt steeds omhoog, alsof het antwoord ergens vandaan gehaald moet worden; iemand zit gesloten, met de armen over elkaar. Als je helemaal gesloten zit, hoe participeer je dan? Dat verbindt zich met wat eerder gezegd is: een goede ervaring stimuleert anderen, want er wordt kennelijk wel geluisterd en je doet echt mee als je erheen gaat. En wie zich ergens fijn en veilig voelt, gaat minder gesloten zitten en kan zeggen wat hij of zij echt denkt of wil, ook als dat moeilijk is om uit te spreken. Je veilig voelen is dus een belangrijke voorwaarde om te participeren. 

Maar dan zijn de mensen al binnen. Hoe nemen zij er überhaupt kennis van dat er geparticipeerd kan worden? Wie folders rondbrengt in een deel van Castricum, schrikt van het aantal nee-nee-stickers. Dan heet het dat die mensen wel op de socials zitten en het Castricumse nieuws digitaal lezen, maar dat valt te betwijfelen. De vraag hoe je mensen bereikt om ze binnen te krijgen hangt samen met wat er in een bijeenkomst gebeurt: ervaringen delen, herhalen wat werkte en voortbouwen op succesvolle trajecten. 

En daar valt iets op. Alles waar het de hele avond over ging zijn plannen, blauwdrukken, wijken, stenen, rioleringen: bouwtekeningen, allemaal uiterst cognitief. Terwijl de reden waarom mensen er zitten, en de manier waarop ze er zitten, een en al gevoel is, of het nu boosheid is of enthousiasme. Dat gevoel heeft heel weinig plek, want het gaat over een sluitende begroting, over zichtlijnen en nokhoogten. Wie mensen wil krijgen, moet ze misschien anders aanspreken. Niet: er komen achthonderd nieuwe woningen. Maar: hebben we een fijne buurt samen? Passen we hier met z'n allen? Hebben we een open houding naar elkaar, en hoe krijgen we dat voor elkaar? Dat gevoel wordt genegeerd zodra planoloog en architect aan tafel zitten, want die gaan over de cijfertjes. Normen, klinkt het, maar juist die normen maken het hard en scheppen een wij tegenover zij. Meer ruimte voor het gevoel. 

Want die boosheid komt ergens vandaan: uit het gevoel dat je had willen participeren en dat het niet kon. Het belangrijkste is dat je het gevoel hebt dat er naar je geluisterd wordt, dat vooraf is aangegeven waarover je precies kunt meepraten, en dat duidelijk is wat er gedaan wordt met wat je inbrengt. Ontbreekt dat, dan is er geen gevoel van geslaagde participatie, en juist dat gevoel is nodig om meer participatie van de grond te krijgen. 

De dialoog sluit met een wens. Het zou ontzettend prettig zijn als de mensen van de gemeente, net als op deze avond, zouden vragen: wat willen we eigenlijk met de gemeente? Niet een gebouwtje of de riolering, dat is onderhoud. Maar: wat willen we met Castricum? Willen we er een dorp van maken, of een stad? Dat soort vragen.

Reflecties op participatie

In het afsluitende rondje kwamen enkele gedachten naar voren die het onderzoek nog verder brengen. 

De verschuiving naar het gevoel werd door meerdere deelnemers als eye-opener benoemd: het gaat niet om hoogtes of minder zon in je tuin, maar om hoe je je wilt voelen als mens in de gemeente, en wat voor gemeenschap je met elkaar wilt zijn. Dat is een vraag op buurtniveau: wil je een buurt waar iedereen goedendag zegt en morgen koffie komt drinken, of vind je een beetje afstand ook wel aardig? Het is een heel andere invalshoek dan de vraag hoeveel parkeerplaatsen erbij moeten, al is het niet bij ieder onderwerp nodig om het gevoel mee te nemen. Daar hoort ook de nuchtere kanttekening bij dat veel beslissingen op gevoel genomen worden en de rationale er pas achteraf bij komt; mensen hebben vaak al een idee voordat ze naar een participatieavond gaan, en dat is moeilijk te managen. 

Over het woord zelf bleef twijfel. De inwoner komt bij participatie met verlangens, de gemeente met belangen, en die mengen niet altijd. Het woord participatie wekt bovendien de indruk dat je een grote rol hebt, terwijl er verschillende treden zijn: informeren, meedenken, meebeslissen. Misschien moet participatie alleen gebruikt worden voor het meebeslissen, en moet informeren gewoon informeren heten. Of het mag allemaal participatie heten, mits duidelijk is op welke trede van de participatieladder je instapt en tot hoe ver je meegaat. Tegelijk is participatie een werkwoord: iedereen die ergens woont, werkt of vrijwilligerswerk doet, participeert al, en wie wil dat iedereen elkaar groet, kan daar zelf mee beginnen. In het woord zit ook "part", een deel: het gaat om deelnemers, en om een organisator die deelnemers duidelijk maakt wat hun deel kan zijn. Dat vraagt om randvoorwaarden, om de juiste terminologie en om verwachtingsmanagement, zodat teleurstelling voorkomen wordt en mensen met meer vreugde naar een bijeenkomst gaan en ervan terugkomen. Voor sommigen blijft het woord besmet: de participatiemaatschappij van destijds was een verkapte bezuiniging, en van inloopavonden gaat iedereen boos naar huis. 

Er zijn ook voorbeelden van hoe het wel kan. In andere gemeenten draaien al jaren participatieprojecten waarbij randvoorwaarden vooraf zijn vastgelegd: komt de participatiegroep tot een conclusie die binnen dat raamwerk past, dan voert de gemeente die uit. Burgerberaden werden als inspiratiebron genoemd. En participatie begint bij de eigen voordeur: als het groen in de straat wordt weggehaald en vervangen zonder dat iemand vraagt wat de bewoners daar willen, is dat geen participatie. 

Ten slotte werd deze manier van samenkomen zelf als een vorm van participatie ervaren. Doordat iedereen naar elkaar luisterde, ook met het hart en niet alleen met de oren, ontstond een wij-gevoel, en met een helder kader (dit is het doel, dit is de vraag) zou een groep als deze ook bij een concreet project tot iets komen. Luisteren is daarbij al een opgave: in een andere buurt was het enige belang of de auto kwijt kon en of de tuin er goed uitzag. Met deze avond is bovendien al geparticipeerd; er is niet 1 vorm van participatie, en verschillende onderwerpen vragen om verschillende vormen.

Over de deelnemers van deze dialoog

Deze dialoog werdt gehouden met inwoners van Castricum en Limmen. In het voorstelrondje noemde elke deelnemer een waarde: iets wat hij of zij belangrijk vindt aan het wonen in de gemeente Castricum. Deze waarden werden daarin genoemd: 

  • Natuur en in het bijzonder de relatieve openheid van de duinen ten opzichte van het bos. 
  • Rust en ruimte. 
  • De toegang tot strand en de zee. 
  • Het station en daarmee de nabijheid van Amsterdam. 
  • De roots van de kinderen hier. 
  • Werk in de gemeente. 
  • De balans tussen rust, ruimte, natuur en werk in de omgeving, zodat je van betekenis kunt zijn.
  • Thuisgevoel: hier eerder gewoond, kinderen hier opgegroeid veel interactie en herkenning op straat.
  • Brede voorzieningen, van winkels tot verenigingsleven.
  • Het openbaar vervoer, en vooral de mogelijkheid om buiten te zijn: watersport op zee en op het meer, de duinen, de ruimte, fietsen in de polder.
  • De openheid van een relatief kleine gemeente: iedereen was hier ooit nieuw, dus je hoort er als nieuwkomer al snel bij.

Bij elkaar zat er een paar eeuwen woonervaring in de kring, van 40 jaar tot 1,5 jaar. Het woord import viel meermaals, ook bij wie hier al 42 jaar woont.

Over de dialoog & 't Socratisch Gilde Castricum

Deze avond werd verzorgd door 't Socratisch Gilde Castricum op aanvraag van de BUCH gemeenten en ondersteund door Socratisch Gilde Amsterdam.

De Socratische Gildes werken aan innovatieve democratie en verzorgen dialogen, trainingen en bijeenkomsten. Meer informatie over het Socratisch Gilde Castricum is te vinden op dialoog weet raad(Verwijst naar een externe website).

Over Innovatieve Democratie 

Innovatieve democratie is een filosofie en een methode in de traditie van John Dewey, David Bohm en Baruch Spinoza. Het wordt toegepast op maatschappelijke vraagstukken waar vernieuwing van denken en doen wenselijk is en voor menselijk begrip in groepen. Met de methode analyseren we het narratief waarin we leven en hoe en waarom we deze internaliseren en blijven voortzetten, zelfs als de verhalen waarbij we leven blokkerend zijn voor een goed menselijk bestaan. 

Innovatieve democratie creëert bewustwording van overtuigingen over onszelf, onze cultuur en leert ons echt te luisteren. Hierdoor kunnen we fundamenteel anders denken over onszelf en uitdagingen waar we voor staan, zoals de vraag wat participatie in onze gemeente is en wanneer meedoen werkelijk telt.

Meer informatie op Open Research(Verwijst naar een externe website).